zaterdag 12 mei 2012

Niet genoeg (2)

Vrijdagmiddag, de telefoon gaat.
Mijn moeder aan de lijn.
Ze zegt veel en alle woorden tegelijk.
Ik hoor ambulance en ziekenhuis.
En ook dat ik niet moet komen.
Want het valt vast wel mee.

Dus ga ik naar het ziekenhuis.
Vanzelfsprekend.
Ik heb maar één moeder.
Ze ziet er oud en klein uit,
in dat ziekenhuisbed.

De middag duurt lang,
veel onderzoeken en wachten.
'Ga toch naar huis'
zegt ze keer op keer.
Maar ook 'wat fijn dat je er bent'.
Ik blijf zitten waar ik zit.
Dat kan ik best.
Dat moet ik nu even doen.
En ik probeer me niet
druk te maken
over wat er morgen volgt.
Voor haar en voor mij.

Zo lang de middag duurt
en de onderzoeken gebeuren,
werkt mijn lijf nog.
Alsof het tijdelijk het ziekzijn
heeft kunnen uitzetten.
Dan mogen we naar huis,
met recepten, pilletjes
en goede raad.

We lopen het ziekenhuis uit.
Mijn lief staat verderop,
met draaiende moter te wachten.
We stappen in en rijden naar
daar waar het vanmiddag begon.

Thuis bij mijn moeder
is de lift kapot.
Ze laat zich niet tegenhouden
door vijf trappen,
hartritmestoornis of niet.

Maar ik loop nu tegen een muur op.
De lift is defect en ik inmiddels ook.
Ik geef haar een zoen.
Dag dag, red je het wel?
Dat vraag ik me van haar af.
En zij vast ook van mij.

Zwaaiend loopt zij de trap op.
Terwijl ik me omdraai
en naar de auto loop,
voel ik de ME oprukken.
Alles begint pijn te doen,
misschien omdat ik nu
kan gaan ontspannen.

Thuis ga ik liggen.
Eerst op de bank
en later in bed.
De pijn en de vermoeidheid
komen in golven over me heen.
Alles zoemt en steekt in mij.
Mijn hoofd borrelt,
mijn lijf schokt.
Ik kan niet goed slapen.

Mijn moeder de kwieke bejaarde,
zorgt vaak voor mij.
Maar als zij zelf zorg nodig heeft,
kan ik die nauwelijks geven.
Ik kan best een middag
met haar in het ziekenhuis zijn.
En dan is het op bij mij.

Hoe moet dat als zij straks
meer zorg nodig heeft?
Voor alles is een oplossing
en het komt vast wel goed.
Maar toch voel ik onmacht.
Een botsing tussen mijn beperkingen
en dat wat ik als dochter zou
willen kunnen doen.

Ik doe mijn stinkende best
om mijn situatie te accepteren
én om beter te worden,
hoe tegenstrijdig dat soms ook is.

Maar het besef dat
als het er ooit op aan komt
ik niet degene kan zijn
die haar spulletjes pakt,
boodschappen voor haar doet
of voor haar zal koken,
maakt me boos en verdrietig.

Ik ben de dochter
die ligt op de bank
en vandaag
is dat niet genoeg.