woensdag 9 mei 2012

Humor

Toen ik nog gezond was,
was mijn vader dat niet.
Hij was ziek met een hoofdletter.
Niet voor even maar 20 jaar lang.

Heel langzaam werd het leven
en de zuurstof uit hem geknepen.
Een rolstoel, zuurstofflessen,
ambulances met gillende sirenes,
het hoorde er allemaal bij.

Mijn vader mopperde nooit.
Maakte grapjes en kletspraatjes.
Verspilde zijn laatste lucht
om anderen aan het lachen maken.

Hij was een gesloten man.
Makkelijk praten deed hij niet,
over de grote en kleine dingen.
En weigerde te vertellen
wat hij wou na zijn dood.
Begraven of cremeren?
Moet ik dan zeggen wat ik het leukste vind?
Ik vind het allebei niet zo leuk
zei hij dan.
Gek werd ik ervan,
maar schoot dan toch in de lach
en bedacht me pas later dat ik
weer geen antwoord kreeg op mijn vraag.

Ik begreep weinig van hem.
Hoe kon je zó slap ouwehoeren,
grapjes maken en gek doen,
als de wereld die eens zo groot was,
telkens kleiner werd, elke week meer?

Van het werk naar thuis blijven.
Van de stoel naar de rolstoel
en van daaruit in een bed.
Met slangen in zijn neus
en een humeur
dat niet kapot te krijgen was.

Nu is mijn vader dood
en word ik enorm beperkt.
Liggend op de bank,
denk ik vaak aan hem.
Wat ik toen niet zag,
en nu des te meer voel:
humor is de lijm die
maakt dat ik niet uit elkaar val.
Het houdt de angst op afstand,
laat me relativeren
en zorgt ervoor
dat ik me een echte dochter
van mijn vader voel.