maandag 9 april 2012

Stel nou

Meestal ben ik positief.
Haal alles uit het leven.
Ook al is dat 'alles' niet
iets wat je snel ziet.

Meestal waardeer ik wat is.
Ook al krijg ik niet wat ik koos.
Meestal kan ik zorgen opzij duwen.
Of zigzag ik er een beetje om heen.

Het volhouden van mijn ziekzijn
hangt nauw samen met het einde ervan.
Ik weet niet hoe lang of wanneer
maar omdat ik geloof dat het eindig is,
hou ik de moed erin.

Meestal ben ik positief.
Maar meestal is niet altijd.
Stel nou dat dit het is?
Ziek zijn en niet meer beter worden.

Nooit meer op de trein stappen,
naar het bos gaan, de zee in rennen,
een kanotocht maken, naar een concert gaan,
een museum bezoeken, een feest geven,
koken voor 40 gasten, gek doen,
leven zonder planning, genieten van wat kan.

Daar niet aan denken,
is iets wegduwen wat er wel is.
Maar daar wel aan denken,
ontneemt me de adem.

Hoe kan ik ontspannen in een kramp,
ademhalen terwijl ik het benauwd heb,
geloven terwijl ik het tegendeel voel,
zoeken naar dat wat té goed verstopt is,
omhelzen wat ik verafschuw
en toch houden van mijn imperfecte lijf?

Elke dag kijk ik naar de vrouw in de spiegel.
En vraag haar: 'ben je er nog'?
En elke dag ben ik bang voor de dag
dat zij geen antwoord meer geeft.