vrijdag 20 april 2012

Reizen met mijn ogen dicht

De telefoon gaat, ik neem op.
Het is het UWV.
Of natuurlijk niet het UWV
maar een meneer van het UWV.

Hoe het met mij gaat?
Zou ik kunnen komen
voor een gesprek?
Om te praten over werkhervatting,
en misschien wel omscholing.

Blij te horen dat het UWV
daar toch nog budget voor heeft.
Dat is hoopvol.
Maar om op zijn vraag terug te komen,
ik vertel hem hoe de vlag erbij hangt.

Elke dag heb ik 2 doelen,
het eerste is douchen.
En als dat is gelukt
maak ik een ommetje
van 5 tot 10 minuten.

Dat is niet zo veel,
dat is niet genoeg
om te kunnen werken,
dat weet ik en dat weet
de meneer van het UWV ook.

We praten nog wat.
Over mijn behandeling
en over mijn droom
om ooit vanuit huis te werken.
Daar wil hij wel bij helpen
als ik zover ben.

Wat hij doet is een project,
op één plek in Nederland,
want verder is overal het geld op.
Hij belt al die mensen waarvan hij denkt:
je kan nooit weten hoe een koe een haas vangt.
En vraagt ze wat ze nodig hebben
om weer te kunnen werken.

Nu maar hopen,
dat het project nog loopt
tegen de tijd dat ik zover ben.
Dag meneer van het UWV, tot later.

Ik hang op en ben moe.
Moe van het praten.
Het voeren van dit gesprek
heeft me zo uitgeput
dat ik mijn plan van de dag bijstel.
Douchen deed ik al en mijn ommetje ook.
Dus nu moet ik plat om te voorkomen
dat ik morgen een terugslag krijg,
gewoon door een onverwacht telefoontje.

En terwijl ik plat lig besef ik wat ik mis.
Ik wil zó graag en het kan niet.
En niet te weten of het ooit weer kan,
is nog het moeilijkst van alles.
Niet het altijd moe zijn, niet het altijd pijn hebben,
niet het isolement, niet het gemis van wat niet kan,
maar het niet weten hoe lang dit gaat duren.

Een reis zonder einde lijkt nergens naar toe te gaan.
Een reis met mijn ogen dicht, zonder de eindbestemming te weten.
Een groots en meeslepend avontuur dat dan weer wel.